Roeien langs de Rijn en Schiekade
Leidsch Dagblad, 24 juli 1982
[Het artikel is enigszins ingekort, om het te beperken tot de Rijn en Schiekade. hk]
“Mevrouw C. Zwarts-Verbiest heeft twintig jaar aan de Rijn en Schiekade gewoond. Bovendien heeft zij grote belangstelling voor het verleden van Leiden en mag zij daar graag haar pennevruchten aan wijden. Als lid van de vereniging Oud-Leiden beschreef ze in het jaarboekje van 1981 bij voorbeeld de geschiedenis van de Transvaalbuurt.
Lag het niet voor de hand dat deze schrijflustige Leidse zich met meer dan gebruikelijke interesse zou verdiepen in de geschiedenis van de Rijn- en Schiekade, toen bekend werd dat de Trekvliet weer zou worden open gegraven? Dat lag het. Zij schreef bijgaand artikel.”
“Terug naar de Rijn en Schiekade. Wie links over Wouterenbrug ging kwam op de Jan van Goyenkade. Recht doorgaande kwam men op het Delftse Jaagpad. Dat laatste kan nu niet meer. Het gebied is industrieterrein geworden, wat heel jammer is want het was een veel gebruikte wandelweg. Door een paar dwarssloten waren er ook kleine bruggetjes. Eén al direct vanaf Wouterenbrug. Je gaat dus van de ene brug op de andere over. Deze eerste is er nu nog. De andere was ter hoogte waar nu de spoorwegovergang is naar de Telderskade. Dat was een tamelijk hoog bruggetje, eerst zonder leuning. Later zijn er leuningen aangemaakt. De Rijn en Schiekade is iets meer dan 1 km lang. Als wij dus iets horen van 3 km is dat voor ons 3 maal de Rijn en Schiekade. De vaarweg is gegraven om de scheepvaartroute door de stad te verlichten en te bekorten.
Aan de huizenkant liep hier en daar een sloot, zodat de huizen. bereikt konden worden met een bruggetje voor ieder huis apart. De huizen hadden ook een voortuintje. Aan deze kant stonden bomen langs de weg. Aan de waterkant kon dat niet want de meest schuiten werden getrokken door een paard. Ook veel schuiten werden getrokken door de schipper zelf of door een knecht. Voor dit trekken hadden zij een heel brede leren band om de schouders, waar de treklijn aan vast zat. De schippers-vrouw stond dan aan het roer. Bij het naderen van de Wouterenbrug moest er even zeer hard getrokken worden om wat meer vaart te krijgen zodat de schuit op eigen kracht onder de brug door kon gaan. Vlak voor de brug werd de lijn met een sierlijke zwaai op het schip geworpen. De boot ging onder de brug door en daar werd de lijn weer op de wal gegooid en met paard of mankracht ging het verder.
Even voorbij de brug was de spoorlijn Leiden-Utrecht, die de weg en het water kruiste. Daar was toen een bewaakte overweg. Onder de spoorlijn was aan de waterkant een smal pad gemaakt, waar de schipper met zijn paard of de schipper met de treklijn onder de spoorbrug door konden. Ook kwam af en toe een stoomboot door de vaart. Dat was een boot met een heel hoge zwarte schoor- steenpijp er op. Om onder de brug door te gaan ging deze boot juist veel langzamer varen. Eerst hoorde de je stoomfluit om tegenliggers van de andere zijde van de brug te waarschuwen. En dan zakte langzaam de grote schoorsteen naar beneden en kon onder de brug doorgevaren worden en ook onder de spoorbrug door. Daarna ging heel langzaam de pijp weer omhoog. Die stoomboot was een sleepboot voor een aantal zandschepen, grote logge gevaarten. Ook zag je veel groenteschuiten op weg naar de veiling.
Bovendien kwamen er roeiers voorbij van de roeiverenigingen “Njord” en “Die Leythe”. Later verscheen ook “De Vliet” met een botenhuis aan de Rijn en Schiekade. Zij oefenden heel veel in de Rijn en Schiekade, een paaltje aangaf waar 1 km was. Zij hadden altijd grote moeite met de zandsleep, omdat die zoveel ruimte in beslag nam. Maar het roeien gaf veel vertier en fleur op en aan het water. In de winter werd, zo lang het kon, een vaargeul opengehouden. Daarvoor kwam een ijsbreker in de vaart. Als dat niet meer ging, was scheepvaart niet mogelijk en konden de schaatsenrijders komen.
De huizen aan de Rijn en Schiekade waren zeer verschillend. Hier en daar een rijtje kleine huizen die wel hetzelfde waren. Dan weer grote woningen. De meeste huizen hadden grote tuinen. Vandaar ook enige bloemisterijen en kwekerijen.
Doordat de Rijn en Schiekade zo lang was – je moest altijd naar de kant van de Haagweg of Wouterenbrug – kende je alle bewoners en was er met allen een goede verstandhouding met zonodig hulp voor elkaar. Een oude bewoonster fungeerde als baker. Ook hielp zij bij ziekte en andere werkzaamheden die tegenwoordig door een wijkverpleegster worden gedaan.
De nummering van de Rijn en Schiekade begon vroeger vanaf Wouterenbrug. Het eerste was een boerderijtje dat was het “Tolhuis”. Dit huis stond eigenlijk op het Delftse Jaagpad. Daar woonde de tolgaarder. Deze had een groot gezin waarvan de kinderen met een klompje aan een hengel het tol- of bruggegeld inden (aldus mevr. M.S.E. Herfst-Nieuwenhuis). Waar nu nr. 141 is, daar woonde Brussee. Deze handelde in bloembollen. Verder was er een handelaar in petroleum. De verkoop vond plaats in een pakhuis naast de woning. De man verkocht ook tabak. Als ik voor mijn vader een pakje tabak mocht halen vroeg ik er meteen een babbelaar bij. Ik dacht dat die erbij hoorde.
De al eerdergenoemde bloemisterijen waren: Van der Wilk op nr. 17, Verbiest op nr. 18. Een eind verder Devilee en Den Older. Concurrentie was er niet bij. Als mijn vader Verbiest plotseling witte dahlia’s moest hebben en wij hadden ze niet, nu dan ging m’n vader naar Den Older en haalde ze daar. En als Devilee voor een klant rode geraniums moest hebben en deze niet had, ging naar Devilee naar Verbiest en haalde ze daar. En als er bij ons bloemen weggebracht moesten en er was niemand om die te doen, dan stapte de dochter van Van der Wilk op de fiets en bracht die bloemen weg.
Het boerderijtje is later afgebroken. Het tegenwoordige nr. 141 is er nog wel. De vroegere nummers nr. 17 en nr. 18 zijn ook afgebroken. Daar is nieuwbouw voor in de plaats gekomen. Het huis van Devilee is er ook niet meer. Het is zelfs moeilijk aan te wijzen waar dat stond. Het huis van Den Older is er nog wel.” [noot: er woonden twee broers Den Older op de kade, Abraham en Nicolaas, de eerste op nr 100, de tweede op 114a, beide panden zijn nog aanwezig. hk]