Eeuwenlang werd Leiden omsloten door het boerenland van Oegstgeest, Leiderdorp en Zoeterwoude. Zoals het een Hollandse stad betaamt, was Leiden ontstaan aan de oevers van een rivier, de Rijn. De oeverwallen boden stevigheid voor het bouwen van huizen, het water was een essentiële transportvoorziening. De singel, lange tijd met wallen en muren, vormde de begrenzing van de stad.
Het onderstaande fragment van de stadskaart van J.P. Dou uit 1614 toont linksboven de plek waar de Rijn de stad verlaat, bij de Witte Poort. Kennelijk was het een van de belangrijkst toegangsroutes tot de stad, want hier bevond zich ook de Stadsherberg.
Links in het midden ontwaren we de woorden “Hogen Rijndijck”, later bekend als “Straatweg naar ’s Hage”, tegenwoordig kortweg Haagweg. Helemaal aan de zuidkant (rechts van het woord SUYT) zien we nog net de Vliet aansluiten op de Vestgracht.

Buiten de stadsgrenzen was het gebied voornamelijk agrarisch van karakter.
Drie revolutionaire ontwikkelingen van de transportbehoefte hebben na 1600 een stempel gedrukt op het gebied ten zuidwesten van de stad, toen nog “Soeterwou”.
1. De Trekvaart
De eerste en meest bepalende ontwikkeling was het verbeteren van de waterverbinding tussen Leiden en Delft, in navolging van de succesvolle trekvaartverbinding tussen Amsterdam en Haarlem.
De enige andere vorm van openbaar vervoer die in die tijd in Nederland bestond was de postkoets, maar die was verre van comfortabel door het slechte wegennet en behoorlijk duur. De trekvaart bleek een groot succes: buitengewoon comfortabel en niet half zo duur.
De werkzaamheden aan de trekvaart naar Delft begonnen in 1636 en betroffen vooral het uitdiepen van de Vliet en het aanleggen van een trekpad. Het consortium van beide steden nam het traject van de Vliet voor zijn rekening, die In Leiden de singel passeert bij de Necksluis (Douzastraat).
De Stad Leiden was echter om logistieke redenen niet gelukkig met dit eindpunt en wilde de trekvaart liever doortrekken naar de Witte Poort. De vestgracht (Singel) bleek daar niet erg geschikt voor en het was goedkoper om een nieuwe vaart te graven, volgens de op de onderstaande kaart van landmeter Dou door mij ingetekende blauwe lijn.
De sloot die evenwijdig ten westen van de geplande vaart loopt, is er nog steeds en loopt achter onze huizen langs. Ook de Oost-Westsloten zijn nog traceerbaar. Langs één ervan loopt wat tegenwoordig het Trekschuitpad heet. De ander is wat verstopt geraakt door de aanleg van de Telderskade.

De vaart, volgens bovenstaand plan voltooid in 1638, liep zo van de Witte Poort tot de Vliet. In 1648 werd nog een brug gebouwd over de nieuwe Trekvaart om toch ook een trekpad mogelijk te maken langs het laatste stukje van de Vliet naar de Necksluis.
Aanvankelijk heette dit de Quakersbrug/Kwakersbrug. Deze naam is ontleend aan het brugtype: het is een kwakelbrug, d.w.z. een hoge brug, waar de trekschuiten onderdoor kunnen varen. De latere naam Wouterenbrug (of een van de verbasteringen daarvan) is vermoedelijk ontleend aan het iets verderop gelegen landgoed, langs de route naar Zoeterwoude. Tegenwoordig noemen we het “Cronesteyn”, maar tot het begin van de 16de eeuw was het nog “Wouterswerf”. Het lijkt aannemelijk dat de naam Wouterswerf nog lang in gebruik is gebleven.
Het jaagpad langs de Trekvaart liep aan de zuidwestkant, de huidige route van de Rijn en Schiekade. Aan de overzijde lag de pas aangelegde baan waarop het paille maille spel werd beoefend, op zijn Nederlands de Maliebaan.

De investeringen in de trekvaart én de maliebaan hebben hun rendement opgebracht: 150 jaar later werden beide nog steeds gebruikt, zoals uit onderstaande tekening van J. Timmermans uit 1788 blijkt.

In het noordelijke deel van het land langs de Trekvaart, bij de aanlegplaats bij de Witte Poort, werd voor de goede afwikkeling van de trekvaart een commissarishuis gebouwd, tevens het eindpunt van de postkoets. Tot laat in de 19e eeuw heeft dit Commisarishuis dienst gedaan.

Een fraaie beschrijving van een wandeling langs onze trekvaart is te vinden in het gidsje “De vermakelijke Leidsche Buiten-Cingels”, uitgegeven door Quirinum Visser en Arent van Huyssteen, 1734 en hertaald door Josee Koning, Marijke Mooijaart en Jan Willem Broekema in 2022

Passage van pagina’s 44-46
“Aan het eind van de singel gekomen, sloegen we de weg in naar de Wouterenbrug. Langs die weg zag ik aan de vaart verschillende prachtige en ook zeer grote tuinen liggen, die bijna allemaal aan de achterkant een mooi uitzicht over de weilanden boden en aan de voorkant op alle schuiten en schepen die van en naar de stad voeren.
Op de Wouterenburg bleven we een poosje staan, om het zeer fraaie uitzicht in ons op te nemen dat men daar aan weerskanten over de Haagse Trekvaart heeft, in het bijzonder naar de stadszijde. Daar zag ik, behalve het gezicht op Leiden dat daar een heel sierlijk en deftig voorkomen heeft, het mooie water de Vliet liggen, waar we langs gegaan waren. Het lag er met de vele tuinen, blekerijen en weilanden in een fraai verschiet zeer schilderachtig bij.
Wij wandelden daarna verder de vaart langs om ons weer naar de Witte Poort te begeven en genoten daar weer een geheel ander aangenaam uitzicht. Niets dan tuinen aan weerskanten kwamen er in ons blikveld, waarvan de mooie tuinhuisjes meestal uitkeken op de Trekvaart, die de voetganger door haar nette en sierlijke hoge geboomte tot aan de stad een zeer plezierige wandeling bezorgt. De fraaiste tuinen die aan en bij die Trekvaart zijn gelegen, zijn volgens mij degene die ongeveer tussen de Wouterenbrug en de stad liggen, zowel aan het pad zelf als aan de overkant. Want de tuinen die aan het pad of langs de wandel- en trekweg liggen, kijken aan de voorkant, behalve op de passerende trekschuiten, ook uit op het zeer hoge en mooie geboomte van de maliebaan. Daar laten lieflijk klinkende vogels, waaronder vaak de nachtegaal, zich menigmaal horen. Aan de achterzijde kijken die tuinen uit op prachtige en ver uitgestrekte weilanden, waar verschillende boomgroepen, molens en woningen rondom in het verschiet liggen. De tuinen die aan de overzijde van de Trekvaart zijn gesitueerd, kijken aan de achterzijde direct op de maliebaan uit en op de exercities die daaruitgevoerd worden, en aan de voorkant meestal op de stadssingel die we gepasseerd waren.
Wij hadden wegens het heerlijke avondlijke uurtje en het fraaie uitzicht wel op een van de bankjes kunnen gaan zitten die langs de vaart staan, maar door ons langzame wandelen, dikwijls stilstaan en bezichtigen van het een of ander en vooral door voornoemde brieven, was het al ver voorbij het tijdstip van het avondeten. Daarom spoedden wij ons zonder verder oponthoud naar huis, waar we bij donker aankwamen en door de vrouw van mijn vriend al met eten opgewacht werden.”
Omdat de studenten tijdens de rustpauze aan de overkant van de vaart, op de huidige Rijn- en Schiekade, gingen wandelen, heette dat al snel het “Studentenpad”, hoewel in krantenartikelen in de 80’er en 90’er jaren van de 19de eeuw meestal de naam Haagsche (en Delftsche) Trekvaart (of Trekpad) werd gehanteerd.
De naam Studentenpad is echter niet zo eenduidig als vaak wordt gesteld. In 1859 verscheen opnieuw een wandelgids, getiteld “Leydens Omstreken, wandelend geschetst”, uitgegeven door De Breuk en Smits. Wandeling 4 voert op een gegeven moment vanaf de Singel naar de Naakte Sluis: “en nu het Studentenpad op, dat naar de Woutenbrugge voert.” ………Reeds zijn wij aan de Woutenbrugge en zoo wij nu regts af gingen waren wij binnen een kwartier uurs weder aan de Witte Poort: wij gaan echter langs de Trekvaart voort, alwaar schone vergezichten ons toeven.” Hieruit blijkt dat het jaagpad langs de Vliet, nu het traject van de Jan van Goyenkade, ook wel aangeduid werd als Studentenpad.
In 1891 werd de vaart verbreed en doorgetrokken naar de Rijn/het Galgewater, om de grote scheepvaart buiten het centrum van Leiden te laten varen. Het villaatje Rijnoever, dat aan de kop van de Trekvaart stond, moest daarvoor worden afgebroken.

Nu was er een brug nodig over de doorgetrokken trekvaart, om de Haagweg niet te blokkeren. Logischerwijs werd dit dan ook de Haagbrug genoemd. Aan de ene zijde van de brug stond een politiepost, aan de andere zijde (hier op de foto) een brugwachtershuisje. Let wel, onze trekvaart wordt op deze ansichtkaart het Rijn en Schie Kanaal genoemd, een naam die nu voor een heel ander stuk water wordt gebruikt.

2. Het spoor
De tweede helft van de 19e eeuw kwam de industriële revolutie op gang. De stoommachine deed zijn intrede en werd in de vorm van stoomtrein de revolutie in het transport. De eerste Nederlandse spoorlijn begon in 1837 in Amsterdam, bereikte Leiden in 1842 en Rotterdam in 1847.

Op 27 april 1860 gaf de Tweede Kamer der Staten Generaal de concessie voor de spoorweg van Leiden naar Woerden aan de Hollandsche spoorwegmaatschappij.
Het eerste ontwerp was een met vlotte hand geschetste ruime boog over de Rijn (“Het Galge Water”) naar het Oosten.
Toen de aanleg van de spoorlijn in 1876 begon, was het tracé inmiddels parallel aan de Trekvaart terechtgekomen, op ongeveer 110 m van de vaart.
Van de spoorweg is aan de Rijn en Schiekade nu niet veel meer merkbaar, maar hij heeft wel een stempel gezet op de latere gebiedsontwikkeling: de Rijn en Schiekade is een lange weg met heel weinig zijstraten gebleven, ingeklemd tussen spoor en vaart. Er moet ter hoogte van de Telderskade een voetgangersoversteekplaats zijn geweest voor de achterliggende tuinen maar de spoorwegovergang naar de Telderskade werd pas in 1960 geopend.

In die tijd werden ook het laatste stukje sloot gedempt dat nog voor de huizen langs liep. De dwarssloot ter hoogte van de Telderskade is gebleven, maar gaat nu met een duiker onder de kade door.

Voor dekdrooglegging van de trekvaart was de dwarssloot bij de uitmonding in de Trekvaart nog wel een barrière, want er was een “jaagbrug” nodig om over de sloot heen te steken.
Er zijn plannen geweest voor een eigen station achter de Rijn en Schiekade en het lange gebruik voor goederenoverslag door Van Gend en Loos heeft voor veel overlast gezorgd. Plannen voor intensivering van het gebruik van dit spoor zijn er nog steeds, al komt een nieuw station nu eerder in Hazerswoude-Rijndijk, dan achter onze huizen.
Een plan uit 1931 dat nooit is gerealiseerd, is de aanleg van een tramlijn die o.m. over de Zoeterwoudseweg, de Rijn en Schiekade en de Lage Morsweg moest lopen.

3. De rondweg
Maar de grootste ingreep had opnieuw met het vervoer te maken. Na de aanleg van de trekvaart in de 17de eeuw en de spoorlijn in de 19de eeuw was het nu tijd voor het autoverkeer. De mooie rechte lijn vroeg er als het ware om, om de ontsluiting van de stad te moderniseren.
Het eerste plan daarvoor dateert al van 1958. Eén klein onderdeel ervan werd al in 1960 gerealiseerd: de aanleg van een overweg, waardoor de nieuwe Telderskade kon aansluiten op de Rijn en Schiekade

Het plan uit 1958 was niet het laatste. Ontwerpen met viaducten volgden. Voor een aantal huizen werden sloopplannen gemaakt en als eerste stap naar de modernisering van de bebouwing werd een flat voor studentenhuisvesting gerealiseerd.
In 1967 werd deze “mooie en indrukwekkende studentenflat” feestelijk in gebruik genomen. Als er al bezwaren zijn geweest tegen deze bouw, dan zijn ze niet tot het Leidse kranten doorgedrongen. Vijf jaar later begon de drooglegging van de Trekvaart.

De tijden veranderden echter. De rondweg is er nooit gekomen en in 1985 werd de vaart weer uitgraven en in bescheidener maat in ere hersteld. De nieuwe vaart was niet meer bestemd voor vrachtvaart. De vaste verbinding die bij de drooglegging ontstaan was tussen de Groenhovenstraat en de Rijn en Schiekade werd nu eindelijk een brug. Het pleidooi voor zo’n brug stamde al uit het begin van de 19de eeuw, maar werd al die tijd te duur bevonden. Wel was er een budget geweest voor een veerpont, die tot ca. 1940 bewoners heeft overgezet.
Zo heeft de Rijn en Schiekade haar huidige gezicht gekregen. Nog altijd vermoedelijk de langste rechte straat van Leiden, met de minste zijstraten. Na de doorgang naar (in chronologische volgorde) de Van Goyenkade via de Wouterenbrug, de Telderskade via de spoorwegovergang en de Groenhovenstraat via de Groenhovenbrug, brengt de vierde dwarsaansluiting ons nu via het nieuw aangelegde Trekvlietpad op De Blauwe Tramstraat, een soort spiegeling van de Rijn en Schiekade: parallel aan de spoorweg.
Ten noorden van deze “Tevreewijk” floreert het Haagwegparkeerterrein, ten zuiden is een oase in stand gehouden, die nu aangeduid wordt als De Ruigte.