De bovenstaande titel staat ook boven het eerste hoofdstuk van het onderstaande boek, waaraan deze tekst dan ook integraal is ontleend, met toestemming van de auteurs.

Van “Spawijk” tot “Vreewijk”, de geschiedenis van een stadsuitbreiding, door J.W.M. Vellekoop, B. van den Berg en J. Brink
Uitgave ter gelegenheid van het eerste lustrum van de Leidse Gemeentelijke Monumentencommissie februari 1988.
De illustraties wijken af van die in de originele publicatie. De voetnoten zijn achterwege gelaten.
De begrenzing van het grondgebied waarop Vreewijk eind vorige eeuw als eerste planmatige uitbreiding van de stad buiten de singels is ontstaan, tussen de Witte Singel, de Vliet en de Rijn- en Schiekade, was reeds in 1638 tot stand gekomen. In dit hoofdstuk volgt een korte beschrijving van deze begrenzing en de geschiedenis van het grondgebied. De gegevens hierover zijn met name ontleend aan Van Oerle’s standaardwerk “Leiden binnen en buiten de stadsvesten”.
VAN 1000 TOT 1400
De “Leidse Vliet” was en is een zijtak van de Vliet (ter plekke ook wel Roomburgerwetering of Corbulogracht geheten). Het eerste bericht over deze vaarweg dateert uit het jaar 1386. In de grensomschrijving van de stadsuitleg is sprake van de “… de vairt dair die naecte sluis in leyt ende ghehieten is die Leydsche vairt …”. Waarschijnlijk is de loop van de Leidse Vliet in de 13e en 14e eeuw enigszins gewijzigd. De Vliet vormde lange tijd een belangrijke verbinding met “den Leidschen dam”, Voorburg en Delft.
Vermoedelijk kruiste de invalsweg van Zoeterwoude naar Leiden de Vliet aanvankelijk ten oosten van het huis Wouterswerf, later beter bekend als Cronestein. De invalsweg volgde de huidige Zoeterwoudseweg en de Herenstraat. Ten noorden van de singel week zij af van het huidige tracé via de Doezastraat en met een boog liep zij langs de oostzijde van de Naakte Sluis naar een brug over de vestgracht bij de toenmalige stadspoort.
De loop van de wateren en de wegen was bepalend voor de vorm van de ontginningen. De van oudsher aanwezige wateren werden de basis van waaruit de ontginners het land in cultuur brachten. Het land werd in hanteerbare kavels verdeeld. Vanuit een weg of water als werkbasis werden op gelijke afstanden punten uitgepaald van waaruit in vrijwel loodrechte richting sloten werden gegraven. Hierdoor ontstonden langgerekte smalle percelen die in deze kavelsloten afwaterden. Tussen 1000 en 1200 raakten de kleigronden op op deze wijze bezet.
De graven van Holland waren de beheerders van dit gebied. Zij stimuleerden de ontginningsactiviteiten. Grote stukken land werden aan de adel in leen gegeven, waarna vaak versterkte huizen op de plaats van ontginningsboerderijen ontstonden. Enkele voorbeelden van dergelijke huizen of kastelen in de omgeving van Leiden zijn Ter Wadding, Coebel, Zwieten en Cronestein en Boshuizen.
Het huidige Vreewijk vormde het meest oostelijk gelegen deel van de ontginning behorende bij kasteel Boshuizen. De kavelbreedte bedroeg 11 roeden en de lengte 66 roeden, ofwel ongeveer 40 bij 240 meter. Deze ontginning was gelegen in het zogeheten ambacht Zoeterwoude.
Het is niet vreemd dat op de kruising van Rijn en Mare een nederzetting is ontstaan. Waterwegen waren immers in de Middeleeuwen de belangrijkste verkeersaders. In de schaduw van het grafelijke Hof en in haar veiligheid gewaarborgd door de Burcht, ontstond een nederzetting van vissers en handelslieden. De stad Leiden begon vorm te krijgen. Op de kruising van Rijn en Mare kwamen ook de grenzen van de drie ambachten Oegstgeest, Leiderdorp en Zoeterwoude bij elkaar. Dit vormde tegelijk de indeling in kerkelijke parochies. De oudste van de drie parochies van Leiden was de parochie van St. Pieter, ontstaan in 1121. Onduidelijk is of dit een zelfstandige parochie was of een bij de parochie Zoeterwoude behorende bijkerk. Later strekte de parochie van St. Pieter zich uit tot ver buiten de stadsgrenzen. In een overeenkomst van 1446 werd vastgelegd dat de grens van de parochie zich ten zuiden van de Rijn uitstrekte tot en met de Weipoort achter Zwieten. Ook het grondgebied van het huidige Vreewijk behoorde volgens Van Oerle tot de parochie van St. Pieter, die werd verzorgd door de Duitse Orde, een in de 12e eeuw gestichte geestelijke ridderorde.
In welk jaar de stad Leiden haar stadsrechten kreeg is niet zeker. Het oudste bekende privilege werd in 1266 door Floris V aan Leiden verleend, maar daarin verwees hij naar de rechten die zijn voorvaderen de stad al hadden gegeven, vermoedelijk rond 1225. Floris V bevestigde deze rechten en breidde ze uit.

In 1372 was er voor het eerst sprake van een stadsmuur ter hoogte van het Rapenburg en de Steenschuur. Al snel bleek echter dat de stad meer grondgebied nodig had. In 1386 gaf landsheer Hertog Albrecht van Beieren, ten koste van de invloed van de ambachtsheer van Zoeterwoude, Bartholomeus van Raephorst, toestemming voor een nieuwe ‘uitleg’. Hij bepaalde dat de nieuwe grens zou lopen “… voerbi der naeckte sluyse, also verre ende also wijt als ’t den regt nutte denct wesen”. Het Gerecht (het stadsbestuur) kon hierover dus zelf beslissen. In 1389 stelde het stadsbestuur deze grens over het gedeelte “van den Rijn tot an die vairt dair die naecte sluyse in leyt” vast op 62 roeden (ongeveer 220 m). De ligging van de Naakte Sluis in de Vliet op een afstand van 62 roeden van de stadsmuur is hierbij bepalend geweest. De naam “Naecte Sluyse'” is vermoedelijk ontstaan vanwege het feit dat men deze sluis onbeschermd in het open veld had gebouwd. Een andere benaming voor deze sluis was “Exsluys” dat buitensluis zou kunnen betekenen. De benaming ‘Neksluis” zou hiervan een verbastering kunnen zijn. Overigens is hiermee de ligging van de stadsmuur van het oudste stadsgebied vastgelegd. Tevens kan hieruit worden afgeleid waar de oude stadspoort, die de toegang tot de stad vanuit Zoeterwoude vormde, moet hebben gestaan, namelijk op de huidige hoek van de Vliet en het Rapenburg aan de stadszijde.
Ten westen van de Vliet was alleen nog ‘maagdelijk’ agrarisch gebied waarin door landmeters de 62 roeden werden uitgezet tot aan het Galgewater (de Rijn). Ten oosten van de Vliet werd gebruik gemaakt van een bestaande wetering volgens het beloop van de huidige Zoeterwoudsesingel de Geregracht. Voor de onteigende grondeigenaren werd een uitgebreide compensatieregeling gehanteerd. In het privilege van Hertog Albrecht werd verder bepaald dat zich geen huizen of andere gebouwen mochten bevinden binnen 50 roeden buiten de Vest.
De Neksluis kon bij de uitbreiding van 1386 ook uit militair oogpunt blijven gehandhaafd, aangezien er geen brug was naar de stad toe. Op de sluis sloten de dijken aan die het stadsgebied tegen wateroverlast beveiligden. Zo ontstond tussen de Rijn en de Naakte Sluis een dijk, die we nu kennen als de Witte Singel. Deze met gras begroeide waterkering werd al snel gebruikt als wandelgebied. De breedte en de profielen van de nieuwe stadsverdediging bestaande uit Vestsloot, muur, Vestgracht, Singel en Singelsloot werden exact beschreven. In 1389 werd met de omvangrijke werkzaamheden begonnen. Deze zouden reeds in 1391 zijn voltooid.
VAN 1400 TOT HET BELEG VAN LEIDEN IN 1574
In de 15e eeuw werd de Vliet als scheepvaartverbinding steeds belangrijker. Rond 1420 werd zij bijvoorbeeld gebruikt door de zogenaamde “uytreysers”, vertegenwoordigers van de laken- en wolindustrie, op hun reizen via Leidschendam, Rotterdam en Dordrecht naar Vlaanderen en Frankrijk. Mede daarom werd in 1452 door Rijnland een vergunning verleend voor het maken van een schutsluis, zodat de schepen bij iedere waterstand de stad binnen konden varen. Tegelijk met het bouwen van deze schutsluis werd een brug gemaakt tussen de west- en oostzijde van de Vliet, de voorloper van de huidige Neksluisbrug. De kosten van diverse reparaties en verbouwingen werden in die tijd nog broederlijk door Leiden en Zoeterwoude gedeeld. In 1556 vond een algehele vernieuwing van het sluiscomplex plaats en werd aan de westzijde een kade gebouwd om de wateroverlast op de “Ganscamp” (vermoedelijk een ganzenkwekerij) van Claes Aelwijn Claes-zoonsz. te beteugelen.
In 1590 legde een zoon van de toenmalige burgemeester de eerste steen voor de tweede algehele vernieuwing, die ditmaal geheel in steen werd uitgevoerd. Een geschil met het waterschap Rijnland omtrent haar vermeende medezeggenschap over het gebruik van de sluis werd in een overeenkomst geregeld en de stad liet bij de sluis een sluiswachterswoning bouwen. Ten behoeve van dit werk werd een tijdelijke omlegging gegraven aan de westzijde door het land van Jan Gerytsz. Buytenwech. De hiervoor benodigde grond werd door het stadsbestuur van hem gekocht.
Als gevolg van de stadsuitbreiding van 1386 raakte de oude stadspoort bij het Rapenburg in onbruik en werd deze voor 1435 afgebroken. Rond 1400 begon men met het bouwen van een poort ter hoogte van de nieuwe uitvalsweg, de huidige Doezastraat. Deze poort werd in 1425 voltooid en kreeg de naam “Koepoort, vermoedelijk naar een molen “de Koe” die daar heeft gestaan totdat deze in 1726 werd gesloopt. Vòòr de Koepoort werd een brug over de vestgracht gebouwd op de plaats van de huidige Koepoortsbrug.
Het spreekt vanzelf dat in het waterrijke Leiden bruggen van oudsher een belangrijke functie hebben vervuld. De nieuw aangelegde vestgracht nam de taak van de bestaande, nu binnen de stad gelegen vaarwegen, over. De bruggen over de vestgracht waren vanwege hun militaire betekenis voorzien van een ophaalbaar gedeelte. Dit maakte het ook mogelijk voor schepen met een mast door de gracht te varen.
Evenals buiten de Wittepoort en de Rijnsburgerpoort ontstonden buiten de Koepoort in 1452 en 1516 zogenaamde vrijheden. Dit waren buiten de stadsmuur gelegen gebieden die slechts gedeeltelijk onder het gezag van het stadsbestuur vielen. Deze vrijheden dienden voor het oplossen van het ruimtegebrek van de stad, bijvoorbeeld het opheffen van een gebrek aan “raamlanden”. Hierop stonden houten rekken, de zogenaamde ramen, waarop het laken werd gedroogd. Later vormden de vrijheden vaak de basis voor een definitieve uitbreiding van de stad.
De vrijheid buiten de Koepoort liep waarschijnlijk vanaf de huidige Herenstraat tot aan de Lammenschansweg. Het gebied tussen Koepoort en Naakte Sluis werd niet als raamland gebruikt, maar was wel in gebruik ten behoeve van de stad, vermoedelijk voor het kweken van groenten. In 1417 is er al sprake van dat de stad tuinen verhuurde tussen de Naakte Sluis en de Hoeflaan, de huidige Herenstraat. In 1430 werden ook aan de westzijde van de Naakte Sluis dergelijke tuinen aangelegd.

In een octrooi op de buitennering van 1540 werd een zone vastgesteld van 500 roeden waarbinnen alle poortersneringen werden verboden. Dit betekende dat men in deze zone geen commerciële activiteiten mocht ontwikkelen die ook in de stad zelf konden plaatsvinden. Een maatregel die werd genomen ter voorkoming van ontduiking van stedelijke belastingen.
In 1572 werd in verband met de oorlogsdreiging met Spanje door de Prins van Oranje opdracht gegeven tot het slopen van de buitengetimmerten. Aangezien eigenaren hieraan onvoldoende gehoor gaven ging het stadsbestuur in 1573 zelf over tot het slopen van alle bebouwing tot op een halve mijl afstand van de stad. Alle huizen, hooibergen, schuren en bomen werden vernield, teneinde de vijand te beletten daarvan gebruik te maken. Alle fourage werd zoveel mogelijk binnen de stad gehaald en het vee en de paarden werden tot onder de stadswallen gedreven. In deze periode valt ook het kasteel Boshuizen, tot welke ontginning Vreewijk behoorde, onder de slopershamer. De omgeving van de stad moet toen op een woestenij hebben geleken.
Het is hier niet de plaats om op de geschiedenis van het beleg in te gaan, maar vermeldenswaard is natuurlijk wel dat de watergeuzen, onder leiding van de Zeeuwse admiraal Lodewijk van Boisot via de onder water gezette landerijen en de Leidse Vliet, tot nabij de Koepoort zijn gevaren en aldaar op drie oktober omstreeks acht uur ’s ochtends aankwamen. Hun (dreigende) komst was mede de aanleiding voor de Spanjaarden om het beleg op te breken,
WEDEROPBOUW NA HET BELEG VAN 1574
Na het beleg in 1575 werd een nieuw octrooi uitgevaardigd waarin de bebouwingsvrije zone werd vergroot van 50 tot 500 roeden. Voorts werd een tweede zone vastgesteld op 800 roeden. Tussen de 500 en 800 roeden grens mochten alleen agrarische gebouwen worden gebouwd. De grenzen werden in het land uitgezet door de stadslandmeter Symon Fransz van der Merwen. Op 19 januari 1575 zette hij buiten de Koepoort, de Vliet volgend tot aan het midden van de Oude Vliet, een afstand van 851 roeden uit en volgende de Vrouwenweg zette hij exact 800 roeden uit. In 1593 ging de stad ertoe over om officiële hardstenen grenspalen te plaatsen.

Over de vrijheden buiten de Koepoort ontstond een grensgeschil met de toenmalige ambachtsheer van Zoeterwoude, Ysbrandt van Merode. Dit conflict kon mede ontstaan door de sloop van alle buitengetimmerten in 1574 en eindigde met een verklaring van de ambachtsheer op 24 mei 1585, waarin hij erkende dat de stadssingel – de Zoeterwoudse Singel – en het voormalige raamland aan de oostzijde van de Vliet onder de jurisdictie en eigendom van de stad Leiden vielen. Aan de westzijde van de Vliet bleef de Witte Singel de grens vormen tussen Zoeterwoude en Leiden.
In de jaren 1590-1592 werden nieuwe verdedigingswerken gebouwd en bestaande werken werden verbeterd. Zo legde men een bolwerk aan in de Witte Singel bij de Blauwe Toren ter hoogte van de huidige Sterrenwacht. Ook de Koepoort en de brug aldaar werden grondig verbouwd. Rond de stad ontstond weer een krans van (volks)tuinen. Men kweekte daar groenten en fruit voor het dagelijks gebruik. Op een kaart van Joh. Blaeu uit ongeveer 1649 is te zien dat vrijwel het hele gebied Vreewijk tussen de huidige Gerrit Doustraat en de Jan van Goyenkade gebruikt werd voor deze tuinen.

Het lijkt op deze kaart zelfs alsof een voorloper van het latere huis “Spawijk” staat aangegeven. Het spreekt vanzelf dat deze lommerrijke gebieden ook een geliefde plek vormden voor de stedelingen om te wandelen of uit rijden te gaan. Dit blijkt onder andere uit een citaat uit “Die vermakelyke Leidsche Buite-Cingels”:
“Ten einde van den Cingel gekomen zynde, op welken wy ons bevonden, sloegen wy den weg op naar Wouterenbrug, langs welken weg ik aan de Vaart verscheide vermakelyke en ook zeer grote Tuinen zag, die meest alle van achteren een schoon uitzicht over de Weilanden hebben, terwyl zy van voren alle de Schuiten en Schepen die daar van en naar de Stad komen, konden observeren. Op de Wouterenbrug zijnde, bleven wy daar een poosje staan, om het zeer fraai gezichty eens op te nemen, ’t geen daar over de Haagsche Trekvaart aan weer kanten, en inzonderheit naar de Stads zyde is, alweer ik, behalve het vertonen van Leiden, ’t geen zich daar cierlyk en deftig op doed, het aangename Water de Vliet, langs ’t welk wy gegaan waren, met zeer veel Tuinen, Blekeryen en Weilanden, in een mooi verschiet zeer schilderachtig zag leggen.”
In 1610 kocht de stad Leiden een gedeelte van de heerlijkheid Zoeterwoude. In die tijd werden ook delen van de heerlijkheden Leiderdorp en Oegstgeest verworven. Hierna ontstonden de 17e eeuwse stadsuitbreidingen zoals Noordvest, Oude Mors, Verversbuurt, Noord Rijnevest en de Haver- en Gortbuurt. Deze stadsvergrotingen verschillen op enkele belangrijke punten van die uit de Middeleeuwen. Bij de middeleeuwse vergrotingen werd bij de aanleg van nieuwe grachten en straten altijd uitgegaan van de bestaande sloten en paadjes. In de 17e eeuw ging men veel planmatiger te werk, met als resultaat dat straten en grachten recht en evenwijdig liepen (en lopen!). Een ander verschil is dat er geen stadsmuren meer werden gebouwd; deze waren immers niet bestand tegen kanonvuur. Hiervoor in de plaats kwamen bolwerken die door aarden wallen met elkaar werden verbonden. Hierdoor verkregen de singels hun bochtige karakter.
DE PERIODE VAN 1630 TOT 1800
Rond 1630 richtten rijke stedelingen kleine lusthoven in buiten de Witte Singel. Deze lusthoven werden ook wel “speeltuynen” genoemd. Een speeltuyn bestond over het algemeen uit een theekoepel met daaromheen een siertuin. Later werden deze theekoepels uitgebreid tot landhuizen. Tevens ontstonden bij zogenaamde blekerijen permanente woningen. In blekerijen werd linnen eerst geloogd om de ergste verontreiniging en de natuurlijke gelige kleur van het vlas te verwijderen. Daarna werd het linnen op de bleekvelden onder invloed van de door de inwerking van de zon ontstane waterstofperoxide verder ‘gewit’.
Op 30 juni 1636 werd tussen Leiden en Delft een verdrag gesloten betreffende de trekvaart tussen deze beide steden. Oorspronkelijk zou de Leidse Vliet daarvoor in zijn geheel tot aan de Witte Singel worden gebruikt. Gezien de beperkte capaciteit van de Vliet werd besloten een nieuwe grote rechte trekvaart vanaf de Rijn tot aan de Leidse Vliet aan te leggen. Dit is de huidige Rijn- en Schiekade. In 1648 werd over deze nieuwe trekvaart bij de samenloop met de Vliet een brug gebouwd, het zogenaamde ‘”Qhaeckersbrugje”, de voorloper van de huidige Wouterenbrug.

met aan de (westelijke) bovenzijde de nieuwe trekvaart
Leiden was in de 17e en 18e eeuw over land- en waterwegen goed bereikbaar. Dit speelde uiteraard een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de laken- en textielindustrie. Die goede bereikbaarheid werd voor het stadsbestuur een steeds grotere zorg. Er was veel geld gemoeid met de aanleg en het onderhoud van beschoeiingen, trekpaden en bruggen. De kosten hiervan werden voor een groot gedeelte gedekt door de tolheffingen op personen en goederen. In 1670 bestond iets minder dan 10% van de inkomsten van de stad uit de tolheffing op trekvaarten en schuiten. Met de neergang van de handel en de industrie in de 18e eeuw nam dit percentage sterk af. In 1790 bedroegen deze inkomsten minder dan 3% ofwel fl 11.000. In de richting Haarlem werd fl 5.000 geïnd, terwijl de trekvaart naar Leidschendam en Delft slechts de helft daarvan opbracht.
Bijna een eeuw na het beleg door de Spanjaarden besloot het stadsbestuur in 1671 tot de bouw van een nieuwe Koepoort. Het ontwerp hiervoor was van de hand van de stadsarchitect Willem van der Helm. De nieuwe poort verrees op de fundamenten van de oude poort.

Dit gebeurde kennelijk met een vooruitziende blik want al in 1672 werd de stad in staat van verdediging gebracht in verband met de oorlog met Frankrijk. De wallen en muren werden versterkt. Langs de Singels en op de buitenwegen, onder andere langs de Vliet, kapte men alle bomen en wederom werden alle opstallen buiten de stad gesloopt.
Leiden heeft weinig onder deze oorlog geleden. Rond 1680 verschenen in het gebied tussen de Vliet en de Trekvaart weer nieuwe speeltuynen en andere bebouwing, waaronder buitenhuizen.