Het kadaster vermeldt duidelijk wie in 1832 de eigenaren waren van de grond langs de Haagsche en Delftsche Trekvaart. Ten noorden van het huidige Trekvlietpad was alles in handen van de Leidse rentenier Jacobus van Gent, die hier niet woonde. Het middelste deel, tot aan de huidige Telderskade was verdeeld in 23 percelen, die allemaal in handen waren van gewone Leidse burgers, zoals: een loodgieter, boekbinder, ambtenaar, portier, nachtwaker, schippersknecht, koopman, pastoor en enkele weduwes. Het is niet aannemelijk dat de bouwsels structureel bewoond waren.
Vanaf 1850 laten het Bevolkingsregister van Zoeterwoude zien wie de bewoners waren van wat nu de Rijn en Schiekade heet:
- In 1850 hebben we in het Bevolkingsregister negen adressen gevonden, waarvan in vier gevallen de eerstvermelde bewoner Van der Vlugt heet. Van beroep zijn het bouwmannen (boeren) en tuinmannen.
- Twintig jaar later is het aantal bewoonde panden gestegen tot ca 25. Uit vermelde beroepen (akkerbouwer, veehouder, tuinman, bloemist) blijkt het karakter nog steeds agrarisch te zijn. Ook de familie Van der Vlugt is er nog steeds, maar veelal zijn het nieuwe namen. Een ervan is A.D. den Older, waarover verderop meer. In het noordelijk deel, dichtbij de Witte Poort, woonden echter (kleeder)bleekers en een kleermaker, wat logisch aansluit bij de aanwezige blekerij (wasserij).
De Bevolkingsregisters leveren wel namen op van bewoners van panden met vermelding van het nummer van het pand, maar deze nummering verandert in de loop van de tijd en het is nog niet gelukt een verband te leggen met de latere huisnummers per straat.
Vanaf 1892
Door verschillende uitgevers (IJtsma, IJdo, Teerhuis & Klinkenberg, NUHA) zijn van 1892 tot 1969 met een behoorlijke regelmaat tenminste 23 adresboeken uitgebracht. Er zijn ook oudere adresboeken van Leiden, maar die bevatten vrijwel geen namen van Zoeterwoudse inwoners. Alleen beide wereldoorlogen hebben voor onderbrekingen van de adresboekenreeks gezorgd. In de boeken is naast een alfabetisch register op naam, ook een lijst van de bewoners per straat vermeld.
We hebben deze lijsten in één Excel-tabel ondergebracht. Daardoor was het mogelijk de verandering in huisnummering vanaf 1895 te reconstrueren, maar ook inzicht te krijgen in de dynamiek van de bewoning.
We zien dat sommige bewoners heel honkvast zijn en decennia op hetzelfde adres terug te vinden zijn, vooral de bloemistenfamilies Devilee, Den Older, Van der Wilk en Verbiest, wat natuurlijk niet verrassend is: zij woonden bij hun bedrijf.
Uit de snelle wisseling van bewoners op veel andere adressen kan afgeleid worden dat veel woningen werden verhuurd. Dat betekende niet altijd dat bewoners uit de straat verdwenen, we treffen ze regelmatig elders op de kade weer aan. Ook zien we veelvuldig verschillende leden van één familie op de kade wonen, soms in hetzelfde huis (volwassen kinderen die bij ouders inwoonden, of andersom; gezusters en gebroeders), maar ook in huizen naast elkaar of wat verderop. En ook nu komen we nog wel eens een achternaam tegen die we honderd jaar geleden ook al op de Rijn en Schiekade aantroffen.
Ook onder- of kamerverhuur lijkt heel gangbaar: op tal van adressen treffen we verschillende achternamen, soms wel vier, vaak regelmatig wisselend. In ons eigen huis woonde de wed Biben-Koudijs boven en verhuurde zij de benedenverdieping, liefst aan een officier:

Over het leven in die tijd weten we niets specifieks. We weten wel dat vermoedelijk pas vanaf ongeveer 1895 gas- en waterleiding werden aangelegd. Daarvoor waren de huizen aangewezen op hun eigen waterpomp en op olielampen. Een riool was er nog niet, de vuilwaterafvoer ging naar de beerput.
Toch hebben we een bijzonder inkijkje gekregen over het leven in de tweede helft van de 19de eeuw. We ontlenen dit aan het verslag van notaris Van Leeuwen over de afwikkeling van een erfenis. Klik maar op deze pagina om het hele verslag in te zien.
Toen de kinderloze, vermoedelijk gepensioneerde, baardscheerder Joannes Fröelig (ook wel geschreven als Froehlich, Fröhlich en Frolig) op 11 december 1875 op 80-jarige leeftijd overleed, was zijn buurman Abraham Daniël den Older de executeur van zijn testament. Joannes had in een vijf jaar eerder opgemaakt testament duidelijke instructies gegeven. Hij benoemde een dochter van een broer (zijn petekind) en een dochter van zijn jongste zuster tot erfgenamen.
Ook Abraham den Older krijgt een deel van de nalatenschap: hij krijgt fl 100,- als tegemoetkoming voor zijn inspanningen als executeur-testamentair en verder:
- kooien, vogels en zijn hond
- brandstoffen en gereedschappen
- onder- en bovenkleren
- lakens en slopen
- de levensmiddelen die op de dag van zijn dood worden aangetroffen
De waarde vanaf zijn bezittingen werd getaxeerd op fl 518,50. Verder liet Fröelig nog fl 500 aan effecten achter, die als legaat naar zijn petekind gingen. Het verslag vertelt de overige details.
Langzamerhand ontstond er in de tweede helft van de 19e eeuw een aantal buitenhuizen, vermoedelijk niet alle bewoond. In een adresboek staat bij de weduwe J.H. Eichmann-Jansen dat ze er alleen ’s zomers verblijft. Vanaf 1886 verandert het karakter van de kade geleidelijk. Het aantal nieuw gebouwde huizen neemt toe en de bewoners zijn niet allemaal agrariers meer. IJtsma’s nieuw adresboek van Leiden uit 1893 heeft gelukkig ook Zoeterwoude opgenomen en geeft dan zo’n 60 adressen aan. Naast de oude agrarische en aanverwante beroepen (bouwman, veehouder, melk- en groentehandelaren, bloemisten en tuinmannen) en de nog steeds aanwezige blekers, wonen er nu ook spoorbeambten, schrijvers en boekverkopers. Opvallend zijn ook de militairen van de huzaren en veldartillerie, die in Leiden gelegerd zijn. Daar horen natuurlijk ook twee hoefsmeden bij.
Enig inzicht in het leven aan de kade kunnen we ontlenen aan krantenberichten. Al te feestelijk zijn die krantenberichten uit die tijd evenmin als tegenwoordig. We hebben er een kleine bloemlezing van gemaakt.
Maar een aparte vermelding verdient het artikel uit het Leidsch Dagblad van 1982, over “Roeien aan de Rijn en Schiekade”, van de hand van mw. Cornelia Zwarts – Verbiest. Haar herinneringen gaan terug naar het eerste kwart van de 20ste eeuw.
Sommige bewoners schoven af en toe een stukje op, naar een ander huis. Veel bewoners hadden ook familieleden in de straat. Van de familie Devilee treffen we er een handvol aan, vooral broers en een zus die op latere leeftijd weer bij elkaar intrekken. Via huwelijken vinden we een keten van bewoners van de kade: Devilee / Goddijn / Franse / Corpel.
Leendert B. Devilee heeft heel lang zijn stempel gezet op de Rijn en Schiekade, met de meest in het oog springende onderneming: als tuinman begonnen bouwde hij in 1894 een bloemenkas op Haagsche Trekvaart 30. Hij overleed in 1930 op 85-jarige leeftijd, waarna zijn kinderen het bedrijf voortzetten, tot vlak voordat het uiteindelijk ten prooi viel aan de bouw van de studentenflat.

De tekening had voor mij overigens nog een verrassing: het vermeldt ook de ligging van de spoorloos verdwenen buitenplaats “Tusculum”.
Maar natuurlijk was er ook de Melkinrichting en Zuivelfabriek “Rijn en Schie”, achter nr 86 gelegen. Op dit adres had G. Onderwater (“voorheen W.B.A. v. Hartevelt”) een handel in melk, boter, kaas en eieren, die in 1921 werd overgenomen door Leen Menken en Arie Rijsbergen. Op de onderstaande foto staan beide mannen nog samen, maar Leen was wat ambitieuzer en zette vanuit Oegstgeest vijf jaar later een nieuw bedrijf op.

In 1913 kwam er zelfs, wat achteraf gelegen, een echt fabriekspand, op nr 124. Dit pand werd in 1913 gebouwd voor de N.V. Rembrandt, Leidsche fabriek in drop en suikerwerken, maar werd al snel opgevolgd door een metaalwarenfabriek (waar je ook je schaatsen kon laten slijpen), schildersbedrijf Pasman en waar nu een vestiging van Hertz te vinden is.
Er zijn heel wat kadebewoners geweest die vanuit huis een bedrijfje runden. Naast de aloude, naast elkaar gelegen, bloemisterijen van Den Older en van Devilee treffen we in de eerste helft van de 19de eeuw o.m. de volgende activiteiten aan (de huisnummers zijn de nu gangbare):
- Eerste Leidsche Elektrische Fijne Wasch- en Strijkinrichting op nr 4, frappant genoeg op de locatie van de eeuwenoude blekerij (opgeheven in 1943)
- Bacteriologisch laboratorium van dr Venema, op nr 13
- Opleiding Praktijkexamen Boekhouden M.O. bij Octavia Parmentier op nr 18
- Zangschool bij Mevr Van Leeuwen – de Paauw op nr 35
- Lessen Kunstgeschiedenis en schilderen bij Roggeveen op nr 37
- Kruidenierszaak van Hazelhorst op nr 40
- Opleiding bouwkundig opzichter en tekenaar, bij De Bruijn op nr 47
- Consultatiebureau voor rheumatische ziektes op nr 48
- Begrafenisonderneming van Hendriks op nr 57, later nr 60
- Technische bureau Swaak, erkend installateur op nr 68
- Uitgebreid Technisch Onderwijs op nr 71
- Schriftelijk onderwijs in boekhouden en handelscorrespondentie, bij Vissinga op nr 95A
- Kunstavonden bij spitsendanseres Corrie de Wekker op nr 105
Sommige van deze bedrijfjes zullen ook personeel in dienst hebben gehad, ook huishoudelijke ondersteuning werd veel gevraagd. Verschillende huizen beschikten over dienstbodekamers, op de zolder, soms twee. Maar of er nog zoveel personeel in dienst was, valt te betwijfelen. In advertenties wordt regelmatig gevraagd naar een dienstbode of dagmeisje (al dan niet R.K.), als “meid-alleen”.
De Rijn en Schiekade bood niet alleen werk, maar ook vermaak. Van 1935 tot de demping in 1965 roeiden de “damesstudenten” van vereniging De Vliet op het water van trekvaart. Aan de Vreewijkzijde van het water was in 1935 een in eigen regie verenigings-gebouw gerezen.

Ook aan de andere zijde bloeide het verenigingsleven: de padvinders van de Leeuwkensgroep hadden hun verblijf op een weiland met 7 hutten aan de Rijn en Schiekade bij nr 114a. Een mooie plek om bij droog weer een kampvuur te maken.
Vanaf 1928 was er ook een aantal jaren een actieve Buurtvereniging Rijn en Schiekade (“B.R.S.”). De kade werd op koninginnedag met lampionnen versiert, er waren kinderspelen met limonade en koek, een optocht, muziek en een feestboot van de fa. Harland. Voorzitter Kuyntjes, directeur van de Ambachtsschool, woonde net om de hoek op Haagweg 2. Afgaande op het ontbreken van verdere krantenverslagen was de B.R.S. na enkele jaren weer ter ziele.

De oorlogsjaren drukten ook hun stempel op de Rijn en Schiekade. De politierapporten van 1940-1945 geven een overzicht van de gerapporteerde gebeurtenissen van uur tot uur. Daarin valt op dat er sprake is van een groot aantal diefstallen, allereerst van kleinvee: geiten, schapen, kippen, konijnen, maar ook van boter en meel. Er is niet veel fantasie voor nodig om de voedselschaarste als oorzaak te zien. Naast deze levensmiddelen werden ook veel fietsen gestolen en persoonsbewijzen. Je mag hopen dat die een goede weg gevonden hebben in het ondergrondse verzet.
Naast het al beschreven bombardement uit december 1944 was er nog één militair incident, waarover het volgende verslag werd genoteerd:
1-12-1942 | 12:50 – Rapporteert agent Pol dat te omstreeks 11.20 uur tv. een projectiel, vermoedelijk uit een vliegtuig is terechtgekomen in perceel Rijn en Schiekade 140, bewoond door M.E.A. van Leeuwen, 27 jaar, grondwerker. Het projectiel sloeg een gat van ± 10 cm in een muur en vernielde het paneel van een deur. In perceel Rijn en Schiekade 139, bewoond door J. Knotter, oud 51 jaar, instrumentmaker, werd een ruit van 1,60 x 0,60 m vernield. In een schuur werden twee kleine ruitjes vernield. Geen persoonlijke ongelukken. Pol vond in perceel 140 de slagdop van een 2 cm granaatje. Inbeslaggenomen en gedeponeerd,
Het schaarser wordende voedsel is misschien ook de aanleiding geweest tot het oprichten van Volkstuinvereniging de Mul, waarvan de ongeveer 30 leden vanaf 1942 één hectare grond bewerkten achter de Rijn en Schiekade. In 1955 werd de huur opgezegd, maar bewoners van de Rijn en Schiekade hebben hebben de tuinbouwactiviteiten nog lang voortgezet. Van heel wat huizen was het achterterrein bereikbaar via een bruggetje over onze (naamloze?) achtersloot. Ons eigen huis had zelfs een ophaalbrug. Maar aan al deze bruggetjes kwam een eind toen het terrein in 2014 werd bebouwd.
